13 mei 2012

Bethelkerk

 

 

Bethelkerk Hengelo

 

 

Met behulp van deze mp3-speler kunt u de preek beluisteren:

 

Lezen: Handelingen 11:1-18 en Johannes 15:9-17

 

Er is geen woord dat zo vaak wordt gezegd en bezongen als het woord liefde. Er ligt een groot verlangen in dat woord besloten. Op een dag als vandaag is het ook het woord dat je het liefst ziet staan op de cadeautjes voor moeders. Voor de liefste moeder van de hele wereld. En als je dat niet kunt schrijven, dan zou je het willen schrijven. Want dat is de andere kant van dit woord: waar liefde ontbreekt, wordt een schrijnend gemis zichtbaar en voelbaar. Niet alleen als het gaat om moeders, trouwens.

Liefde is het eerste woord dat je spreekt als je denkt aan leven zoals leven bedoeld is. Liefde is het eerste woord dat je spreekt als je denkt aan God. Als mensen iets voor elkaar betekenen, dan wordt daar heel snel het woord liefde bij genoemd. Dat is allemaal niet verwonderlijk, omdat dit woord de relatie aangeeft tussen God en mens. Alles wat God doet en gedaan heeft, komt voort uit liefde. Alles wat God van ons vraagt is liefde. Ook de ge- en verboden in de bijbel, en dat zijn er veel, worden allemaal gestempeld door dat ene woord: liefde. Niet voor niets wijst Jezus daar nadrukkelijk op. Hijzelf vat alle geboden samen in de liefde voor God en de liefde voor de naaste. Zijn eigen leven is samen te vatten in dat ene woord. Zelfs zijn dood is een ultiem gebaar van liefde. Er is geen grotere liefde, zegt hij, dan je leven te geven voor je vrienden.

De apostelen zijn met die boodschap op weg gegaan. Iemand uit ons midden heeft de liefde van God voor ons belichaamd. God was in een wolk aanwezig. Hij was in een stem aanwezig. Hij is aanwezig in de Tora. Hij is aanwezig in het woord van profeten en psalmdichters, zoals dat uitgelegd en bezongen wordt in de synagogen. Hij laat zich vinden in de tempel. Maar hij was ook aanwezig in een mens. Jezus heeft zijn leven gegeven voor zijn vrienden. Dat is hun boodschap. Voor ons, want wij zijn het die doen wat hij zegt. Wij houden ons aan de geboden. Wij kennen die bijzondere relatie met God. Wij weten ons door God geliefd.

In het boek Handelingen lezen we hoe die boodschap gehoord wordt. En ook hoe God zelf bij die boodschap betrokken is gebleven. Hij heeft zich niet af laten vaardigen door de apostelen. Dat is een gedachte die in de kerk nog wel eens leeft, al dan niet bewust. De apostelen treden op in Gods naam. De kerk is in de wereld en alles wat ze doet, doet ze in Gods naam. Diakenen hebben een prachtige opdracht, die begint bij de tafel. Zoals wij delen in de kerk, delen zij buiten de kerk. Namens God. De ouderlingen gaan op bezoek bij mensen. In Gods naam zijn ze de naasten, in vreugde en verdriet. Dominees zijn nabij en leggen het woord van God uit in de concrete situatie van de gemeente en van gemeenteleden. In Gods naam. Maar het is de kunst om je niet als afgevaardigde van God te presenteren. Met alle gevolgen van dien. Omdat mensen jou gaan zien als de plaatsvervanger van God. Je hoeft de geschiedenis van de godsdiensten er maar op na te slaan om te zien wat er gebeurt als mensen zich gaan gedragen als afgevaardigden van God. Ze presenteren zich in de wereld met een opgeheven, veroordelende vinger, in plaats van met een uitgestrekte, uitnodigende hand.

God zelf is en blijft bij de boodschap betrokken. Bij zijn boodschap. Het is niet de boodschap van de apostelen of van de diakenen, ouderlingen of dominees. Integendeel, ook zij ontvangen de boodschap van God. Het is God zelf die je kracht geeft om verder te kunnen, dat doen niet de mensen in de kerk. Hij geeft zijn Geest. Zo is hij onder ons, we bidden er iedere zondag opnieuw om, aan het begin van de dienst. Zo is hij bij ons, zo geeft hij ons vreugde, zo geeft hij ons kracht. Door er zelf te zijn. Het verhaal van vanmorgen laat dat op een prachtige manier zien. Het is een worsteling voor de apostelen om los te komen van de gedachte dat God de God is van het eigen volk. En dat anderen daar eigenlijk niet bij horen. De Geest van God heeft het Petrus laten zien en ervaren. Uitvoerig doet hij verslag van zijn bezoek aan Cornelius. Hij begint met zijn eigen struikelblok: de opgeheven en veroordelende vinger. Je mag geen onreine dieren eten. Het kost nogal wat moeite om je zelf te overwinnen. Voor Petrus, maar evengoed voor ons. Wij hebben onze eigen gewoonten in de kerk. Gewoonten die goede gronden hebben. Maar zodra die gewoonten tot uitdrukking komen in de opgeheven vinger, schieten ze hun doel voorbij. Als goede gewoonten geen uitdrukking meer zijn van een uitgestrekte hand, maken ze meer kapot dan dat ze goed doen. Ik ga er geen voorbeelden bij noemen, omdat ik dan zelf met de opgeheven vinger sta. Maar ieder kan dat bij zichzelf nagaan.

Petrus heeft in de geschiedenis met Cornelius ontdekt dat hij niet namens God optreedt. Maar dat God zelf aanwezig is. Hij heeft in de ontmoeting met Cornelius ontdekt dat uitgestrekte, open, uitnodigende handen herkenning oproept. Herkenning van die aanwezigheid van God. Gods Geest is aanwezig. Om dat te kunnen zien heb je die uitnodigende handen nodig. Gods Geest brengt mensen bij elkaar. De spannende vraag is dan: hoe maken we dát zichtbaar, dat Gods Geest mensen bij elkaar brengt? En dan komen we terug bij de liefde waar Jezus over spreekt. Hij zet ons, mensen, in een bepaalde verhouding. Niet als slaven, als knechten van elkaar, maar als vrienden die voor elkaar instaan. Je kunt het nauwelijks overschatten wat dat betekent voor de verhouding tussen ons onderling. Op de tafel staan de tekenen van liefde. Laten we daar beginnen. Amen.